25 lessen van de provincietour van Dave

2021 – Eén van de leukste plekken om buiten te spelen als kind, is een speeltuin. En dan niet zo’n suffe, saaie speelplek in de buurt met een verouderde wipkip en in de zomer oververhitte glijbaan. Nee, een avontuurlijke speeltuin waar vrijwilligers en/of professionals de boel beheren. In zulke speeltuinen, waarvan er in Nederland ongeveer 800 bestaan, staan uiteenlopende speeltoestellen of maakt men gebruik van de natuur om kinderen te verleiden tot buitenspelen. Deze zomer bezocht ik samen met verschillende collega’s van Jantje Beton zo’n 50 speeltuinen in alle 12 provincies. En tijdens deze zomertour is mij van alles opgevallen. 25 lessen na deze inspirerende bezoeken. 

  1. Er zijn in Nederland allerlei soorten speeltuinen. Groot en klein. Groen en natuurlijk versus kleurrijk met kunststoffen speeltoestellen. Goed onderhouden versus verwaarloosd. Uitdagend versus beetje suf. Soms is er een uitgesproken visie of concept, zoals bij speeltuinen die zichzelf ‘natuurspeeltuin’ noemen. Maar vaak is een speeltuin ook een mooi, groot terrein waar allerlei speeltoestellen op te vinden zijn voor jonge en (iets) oudere kinderen. Daarbij is de keuze voor speeltoestellen vaak een pragmatische; wat is goedkoop en wat vinden de kinderen leuk zijn de doorslaggevende criteria.
     
  2. Er zijn nagenoeg overal zeer actieve vrijwilligers. Maar soms ook betrokken professionals die zich tegen betaling inzetten voor de speeltuin. Overal werken mensen met hart en ziel, vaak al heel erg lang. De speeltuin is voor deze mensen hun ‘kindje’ en ze gaan er zorgzaam en liefdevol mee om.

  3. In steden zijn er soms wel en soms geen stedelijke koepels. Daar waar er stedelijke koepels zijn, werken die erg goed. Goede voorbeelden zijn Groningen, Enschede en Leiden. In andere steden waar meerdere beheerde speeltuinen zijn, is de onderlinge afstemming beperkt en tegelijkertijd vissen ze in dezelfde vijver of vrijwilligers te werven. Anders gezegd: er is veel potentie voor meer onderlinge samenwerking tussen speeltuinen die in dezelfde stad gesitueerd zijn. De rol van de gemeente om deze samenwerking te faciliteren of aan te jagen, is in potentie groot maar in de praktijk vaak nihil. 
  4. Het inclusief maken van de speeltuin voor kinderen met een beperking lijkt in kleinere plekken of dorpen minder aandacht te krijgen. In grotere steden zijn er vaak al wat meer speeltuinen te vinden die ook voor kinderen in een rolstoel geschikt zijn. In kleine dorpen komt wel eens de vraag op ‘Maar er zijn in ons dorp geen gehandicapte kinderen, waarom moeten we er dan rekening mee houden?’. In ons land wonen echter 100.000 kinderen met een beperking. Zij wonen in alle steden en dorpen en behoren overal welkom te zijn, ook in speeltuinen. Er is nog de nodige overtuigingskracht en hulp nodig om speeltuinen (én gemeenten!) bewust te maken van het maatschappelijke belang van ‘inclusiviteit’ en samen spelen. 
  5. Voor kinderen die opgroeien in armoede hebben de meeste speeltuinen de nodige aandacht. Variërend van (nagenoeg) gratis toegang tot de speeltuin tot leuke speelactiviteiten in de zomer. Denk aan overnachtingen in de speeltuin, vakantie vieren in je eigen speeltuin of het bouwen van hutten in de zomer. Tegelijkertijd zijn er ook speeltuinen die door gemeenten hierin niet worden gefaciliteerd en dan is het om financiële redenen vaak lastig om voldoende in te spelen op de wensen van deze belangrijke doelgroep. 
  6. Onduidelijke rol van gemeenten in relatie tot speeltuinen. Van soms nul financiële betrokkenheid tot speeltuinen die volledig eigendom zijn van de gemeente. Gevoel van urgentie lijkt enorm te verschillen en de rolopvatting van de gemeente wisselt ook sterk. 
  7. De veiligheid van de speeltuin is nagenoeg overal een belangrijk onderwerp: iedere speeltuin wil dat kinderen veilig en verantwoord kunnen spelen en zorgen voor handhaving van de Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). Een visie op een veilig pedagogisch klimaat is nog niet overal concreet uitgewerkt. 
  8. Er is beperkte kennisdeling tussen speeltuinen, ondanks alle faciliteiten die de landelijke branchevereniging NUSO daarvoor biedt. Ook lokaal en regionaal is de afstemming maar beperkt. De meeste speeltuinen hebben, noodgedwongen door de beperkte capaciteit qua vrijwilligers, het vizier staan op de eigen speeltuin. Hierdoor wordt er in de sector maar relatief weinig van elkaar geleerd. 
  9. Er zijn grote zorgen over de bestuurlijke continuïteit van de speeltuin door het uitblijven van voldoende (geschikte) bestuursleden. Het project ‘Bestuurlijke vernieuwing’ van NUSO blijkt broodnodig. Ook is er aandacht nodig voor andersoortige vrijwilligers, zoals vrijwilligers die de horecaverkoop doen, toiletten schoonmaken of leuke activiteiten organiseren. 
  10. De huidige bestuursvorm van speeltuin als vereniging staat onder druk.  De meeste van deze verenigingen zijn ontstaan vanuit een enthousiaste groep leden die zich gezamenlijk verantwoordelijke voelde voor de speeltuin. Tegenwoordig kenmerken de speeltuinen zich meer als organisaties waarbij de leden zich gedragen als klanten. Waardoor de oorspronkelijke functie van de vereniging (namelijk verenigen) onder druk komt te staan. Nieuwe vormen waarmee meer wordt ingespeeld op de behoeftes van deze tijd zijn nodig. 
  11. Speeltuinen met een regionale functie krijgen van de overheid geen regionale erkenning. Sommige speeltuinen ontvangen tienduizenden bezoekers uit allerlei gemeenten en regio’s, waaronder zelfs vanuit België of Duitsland als ze in een grensstreek liggen. Dat wordt niet of nauwelijks als zodanig (h)erkent door de betreffende overheden. Als er overheidsfinanciering is, is dat altijd enkel en alleen van de gemeente waar de speeltuin fysiek in ligt. 
  12. Scholen, kinderopvangorganisaties en BSO’s maken volop gebruik van speeltuinen. Belangrijk onderdeel van het jaarprogramma. Soms als schooluitje, maar soms ook als buitenleslocatie met een educatief doel (‘spelend leren in de speeltuin’). 
  13. Wat te doen met jongeren? Speeltuinen zijn primair gericht op kinderen tot een jaar of 12, maar voor kinderen/jongeren van 12 jaar en ouder is er vaak geen geschikte ‘vervolglocatie’ waar ze samen met vrienden kunnen spelen, hangen, chillen en op andere manieren kunnen genieten van hun vrije tijd. 
  14. Speeltuinen zijn ondernemend en creatief om aan inkomsten te komen. Verhuur van de speeltuin en/of het speeltuingebouw voor (kinder)feestjes is nagenoeg overal aan de orde. Verder wordt er op de meeste plekken entree gevraagd. Daarnaast ontvangen de meeste speeltuinen subsidie en ze actief richting het lokale bedrijfsleven om voor sponsorinkomsten te zorgen. 
  15. Er zijn meer bezoekers in de speeltuin. Mede als gevolg van corona lijken meer ouders en grootouders de weg naar de speeltuin te hebben gevonden. Ook zijn er meer toeristen in eigen land die een speeltuin bezoeken. 
  16. Speeltuinen zijn een populaire en belangrijke ontmoetingsplek voor (groot)ouders. In veel speeltuinen ontmoeten uit de wijk, buurt of dorp elkaar. Ze maken een praatje en delen ervaringen uit. Soms ontstaan er ook vriendschappen in de speeltuin. 
  17. Speeltuinen zouden graag in algemene zin graag mee investeren in vernieuwing van hun speeltuin en hun speeltoestellen. Speeltuinbesturen zijn echter vrij beperkt in hun investeringsruimte en voeren daardoor een ‘financieel defensief beleid’. Speeltoestellen worden in economisch opzicht keurig afgeschreven, maar hebben materieel gezien een langer leven. Veel speeltuinen onderhouden oudere speeltoestellen liever extra goed dan dat ze een nieuw toestel aanschaffen. Dit komt primair door de beperkte financiële ruimte voor zulke aankopen in hun begroting. 
  18. Er is een wisselend beeld hoe speeltuinen omgaan met ‘bijzondere volwassenen’. In sommige speeltuinen kunnen mensen met ‘afstand tot de arbeidsmarkt’ – al dan niet via de Participatiewet – aan de slag om er te werken. Denk aan iemand met een verstandelijke beperking die het gras maait. Ook zijn er speeltuinen waar mensen actief zijn die via de reclassering een taakstraf uitvoeren in de speeltuinen, overigens doorgaans buiten openingstijden. Verder zijn er speeltuinen die bewust aandacht hebben voor mensen met psychische problemen en die een beroep doen op de geestelijke gezondheidszorg. Deze ggz-cliënten kunnen in de speeltuin werkzaamheden verrichten die bij hen passen, mits de begeleiding op orde is. Er zijn echter de nodige speeltuinen die opzien naar de begeleiding van dit soort bijzondere volwassenen en daarom de stap niet zetten.
     
  19. Er is vooral ongezond voedsel te koop in de speeltuin. In menig speeltuin kun je cola, snoep, ijs en chips. En wat te denken van friet en frikandellen?! En vaak voor een hele lage prijs. Zo kun je soms met 5 cent al een mierzoet snoepje kopen. Een gezond alternatief is nauwelijks voor handen. Groente en fruit is er maar mondjesmaat te vinden. Gezonde snacks, zoals rijstwafels, zijn een zeldzaamheid. Eén speeltuin heeft met Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) contact gezocht om de volledige kantine te vernieuwen en gezond te maken. Vanuit het nieuwe project ‘de gezonde verenigingskantine’ van JOGG kunnen speeltuinen gratis advies en ondersteuning krijgen van een JOGG coach. Vanuit NUSO zullen we onze leden hiervan op de hoogte brengen.

  20. De meeste speeltuinen zijn rookvrij. Tijdens de zomertour slechts één speeltuin bezocht die niet rookvrij is. Dat is erg hoopvol!

  21. Beheerde speeltuinen hebben in de wet geen duidelijk eigen status. Waardoor ze in nieuwe wet- en regelgeving, in tegenstelling tot sportverenigingen, zelf moeten zoeken naar oplossingen. Denk aan de nieuwe wetgeving rondom statiegeld op kleine flesjes.

  22. Er zijn volop kansen op verbinding tussen speeltuinen en kinderboerderijen. Soms ligt een speeltuin pal naast een kinderboerderij. Dan wordt het vrij spel in een speeltuin verbonden met de natuur- en milieu-educatiedoelen van de kinderboerderij. Daar waar dat gebeurt, is dat in goede harmonie en naar tevredenheid. Spelend leren van en in de natuur en van dieren is voor nagenoeg elk kind een mooie uitdaging en leerzame ervaring.

  23. De samenwerking met lokale professionals van welzijnsinstellingen is wisselend aan de orde. Sommige welzijnswerkers – zoals jongeren- of kinderwerkers – zijn kind aan huis in de speeltuin. Ook maken speeltuinen soms verbinding met buurtsportcoaches of met lokale vrijwilligerscentrales. Maar dat is nog lang niet overal gebruikelijk. Er lijkt ruimte voor groei om speeltuinvrijwilligers te verbinden met welzijnsprofessionals.

  24. In krimpgebieden is er extra aandacht nodig voor speeltuinen. In verschillende delen van Nederland, zoals (een deel van) Zuid-Limburg, delen van Friesland en Groningen en de Achterhoek is er sprake van een sterke bevolkingskrimp. In sommige gevallen verdwijnt dan niet alleen de basisschool of de supermarkt uit het dorp, maar ook een speeltuin of andere speelplekken. Daarmee verliest een dorp haar ziel en verliezen kinderen een veilig en leuke plek om buiten te spelen. Gemeenten hebben daar niet altijd aandacht, laat staan geld voor om dit te voorkomen of om tot goede alternatieven te komen. Dit vraagt om een proactieve en regionale aanpak in de betreffende gebieden om tot voldoende speelruimte voor kinderen in krimpgebieden te komen.

  25. Er is waardering voor het werk van Jantje Beton en NUSO. In algemene zin heb ik tevreden leden ontmoet die blij zijn met de dienstverlening van hun branchevereniging, maar ook met de aandacht die Jantje Beton geeft aan het belang van buitenspelen en bewegen.